Voorbeeld verhaal

Als voorproefje             

Huwelijk op het spel

Al weer tien jaar zijn ze gelukkig getrouwd, Sent en Gisela. Allebei dertigers en allebei sportief ingesteld. Zij het, dat hij veel fanatieker is dan zij. Bij hem gaat het om de punten; bij haar om het plezier. Tennissen doen ze bij de tennisclub in de buurt. Weliswaar zijn ze er al ruim zes jaar lid, maar van samen gezellig tennissen is het nooit gekomen. Gisela heeft vaak geopperd om eens een keer met Sent te mixen.

‘Dat doen al mijn vriendinnen met hun mannen. Lijkt me hartstikke leuk.’

Sent heeft daar geen trek in. Dat mixen met Gisela lijkt hem helemaal niks. Eigenlijk vindt hij dat zij te zwak is. Na zes jaar tennis is ze, volgens Sent, net beginner af. Met kunst en vliegwerk is het hem gelukt om iedere keer de boot af te houden.

‘Ga jij maar lekker tennissen met jouw vriendinnen, dan doe ik dat met mijn tennismaatjes. Dan zijn we allebei hartstikke blij. Houwen zo.’

‘Houwen zo? Hoezo houwen zo. We kunnen toch wel een keertje samen spelen. Gewoon voor de lol. Daar is toch niks mis mee. Of wel soms?’

Sent reageert niet op haar vraag. Hij zegt, dat ze moeten opschieten om niet te laat bij haar ouders te komen.

‘Je hebt gelijk, Sent. We moeten inderdaad haast maken, anders zitten ze maar te wachten.’ Gisela heeft een imposant aantal tennisvriendinnen waar ze ook privé mee optrekt. Vrouwen doen dat veel meer dan mannen. In een ommezien ontstaan er vriendschappen voor het leven. Ze is populair in die vrouwenclub. Voor haar telt, dat ze getapt is. Gisela is gek op het gezellig napraten met een hapje en een drankje. Dat is voor haar belangrijk. Het wedstrijdresultaat telt nauwelijks. In de recreatiecompetitie van de tennisclub bijvoorbeeld voelt ze zich happy. Na afloop van zo’n speelavond komt ze altijd uitgelaten thuis en vertelt ze Sent dat ze heel veel gelachen hebben.

Sent maalt niet om uitgebouwde sociale contacten. Hij beperkt zich tot een drankje na afloop. Meer hoeft van hem niet. Hij vindt al dat geleuter maar niks. Net als dat getennis voor de leut. Daar haalt hij zijn neus voor op. Hij vergelijkt de recreatiecompetitie met bejaardentennis, maar hij houdt dit wijselijk voor zich. Voor hem absoluut geen recreatietennis. Dat kan later altijd nog. Als hij tegen de tachtig loopt. Hij doet mee aan de echte competitie. Die van de tennisbond. Hij komt uit voor het eerste mannenteam. Daar gaat hij voor en in die competitie presteert hij goed. Uitstekend zelfs. Acht van de tien keer komt hij als winnaar uit de strijd. Dat houdt hij in zijn administratie nauwgezet bij. Als een tiener kickt hij daarop. En als hij een keer op zijn broek heeft gekregen, is hij niet te genieten.

Al jaren zeurt Gisela aan Sents hoofd om een keer samen met haar de clubkampioenschappen te doen. Dat lijkt haar enig.

‘In de mix. Al mijn vriendinnen spelen daarin met hun mannen. Dat is hartstikke gezellig, zeggen ze. Waarom kan dat nou niet bij ons.’

Vorig jaar waren zijn uitvluchten op en is hij gezwicht om de clubkampioenschappen met haar te doen. Aan die titelstrijd bewaart Gisela goede herinneringen, omdat ze reuze gezellig gespeeld heeft. Sent daarentegen vond het vies tegenvallen, maar dat heeft hij verzwegen. Voor de goede vrede. Hij weet wat hem dit jaar te wachten staat. ‘Gezellig’ weer samen met Gisela de clubkampioenschappen doen. Daar komt hij niet meer onderuit. Vorig jaar hadden ze, volgens haar heel leuk gespeeld. Bovendien hadden ze een rondje overleefd. Om daarna eervol te verliezen van een onwijs sterk dub­bel was be­paald geen schande. Na af­loop van die partij nam ze glun­de­rend de complimenten van haar partijdige tennisvriendinnen in ontvangst. In de wandelgangen hoorde Sent dat het verlies in de tweede ronde aan hem te wijten was. Hij zou zich te veel hebben ge­for­ceerd bij het nemen van haar ballen. Haar meelevende achterban was veront­waardigd over Sents dominante aanwezig­heid op de verkeerde speel­helft. Zelf maalde Gisela daar toen overigens niet om. ‘t Was haar totaal niet opgevallen.

Zoals gebruikelijk, heeft Sent zich serieus voorbereid en is hij, in tegenstelling tot Gisela, klaar voor de strijd. Zij heeft spijtig genoeg, kennis ge­maakt met de ge­vreesde ‘ten­nisarm’, waar­door ze maanden­lang uit de tennisroulatie is geweest. Gelukkig is ze een paar weken voor aanvang van de titelstrijd weer opge­lapt. Aan een oefen­wed­strijdje ter voorbe­reiding is ze tot Sents teleurstelling niet toe ge­ko­men, maar dat hin­dert haar aller­minst.

‘Als ik een­maal maar weer op de baan sta, dan gaat alles weer als van­ouds.’

‘Maar je had toch wel tenminste een partijtje kunnen spelen.’

‘Stel je niet zo aan.’

‘Ik me aanstellen? Ik zeg alleen dat ik het droefenis vind dat je niet de moeite hebt genomen om een uurtje je racket vast te houden. Dat is toch niet teveel gevraagd?’

‘Het gaat nergens om, Sent. Dus waarom zou ik?’

‘Gisela, als het nergens om gaat, dan vraag ik me af waarom we überhaupt mee doen.’

‘Jezusmina, wat doe jij nou flauw zeg. We kunnen toch wel gewoon lekker samen spelen? Net als vorig jaar. Zo moeilijk is dat toch niet? Of voel je je soms te goed voor mij?’

‘Dat hoor je mij toch niet zeggen? Of wel soms?’

‘Nee, dat niet, maar soms denk ik dat wel eens. Dat mag je gerust weten.’

Bij de indeling treffen ze in de eerste ronde Eric/­Adri. De tegenpar­tij wint de toss en logisch verkiest Eric om als eerste te gaan serveren. Onmiddellijk ziet Sent, dat Gisela als gevolg van haar gedwon­gen langdu­rige tennispau­ze, te kampen heeft met een ernstige vorm van tennisver­vreemding. Zelfs op Eric’s bijzonder vrouwvriendelijke opslag, slaagt ze er niet in de bal fatsoenlijk met haar racket te beroeren. Onwennig, hij slaat nooit aces, noteert Eric de ene ace na de andere.

Ken­ne­lijk beleeft Gisela aan die verto­ning bui­ten­ge­woon veel plezier, getuige haar niet aflatende lacherige uitbundig­heid. Sent lukt het in de verste verte niet in de pret te delen. Integendeel, hij begint demonstratief te zuchten en te steunen en staart na iedere fout van Gisela moedeloos naar de Schepper boven. Zij beantwoordt die chagrijnige lichaamstaal met hem vernietigend aan te kijken. Pisnijdig sist ze met ingehouden stem, want niemand mag het horen, waar hij in godsnaam mee bezig is.

‘Waar ik mee bezig ben?’

‘Sent, voor mij is de lol eraf. Op deze manier hoeft het voor mij echt niet meer.’

‘Gies, wat denk je van mij dan? Geloof jij dat ik hier een greintje lol aan beleef.’

Na afloop van het extreem korte potje complimenteren Gisela’s supporters haar met haar alleszins verdienstelijke spel. Ook nu krijgt Sent te horen, dat hij be­paald niet in besten doen was. Bovendien zouden zijn volstrekt on­voorspelbare positiewisselingen aan het net Gisela danig in verwarring hebben gebracht. Kribbig be­strijdt hij deze, zijns inziens ondeskundige wedstrijdanalyse van haar vriendinnen. Hij probeert ze serieus uit te leggen dat zijn beweeg­lijkheid aan het net voor veel onrust in het vijandelijke kamp heeft gezorgd. Ook wijst hij ze op de voorde­len van de Australische variant bij de service.

‘Of hebben jullie daar nog nooit van gehoord.’

Uit de dodelijke blikken van Gisela leidt hij af, dat zijn tegen­gas bij haar in het verkeerde keelgat is geschoten. Mokkend laat hij het wed­strijdver­loop met rust en zwijgt hij. Hij beseft, dat het zo meteen oorlog wordt.

Thuis vechten ze hun strijd uit op de manier zoals ze gewend zijn. Namelijk, door elkaar volledig te negeren en de lippen stijf op elkaar te houden. Oftewel, lucht voor elkaar te zijn. En dat heel, heel erg lang. Geen van twee prakkiseert er namelijk over om als eerste de communicatiedraad op te pakken. Uit ervaring weten ze wat hen te wachten staat: een psychologische oorlogsvoering. Misschien wel een meerdaagse en wordt er een nieuw record gevestigd. Een paar jaar geleden hebben ze ruim anderhalve dag niet met elkaar gesproken. Aanleiding was, toen Sent, oliedom van hem, een verkeerde weg met de auto was ingeslagen op weg naar kennissen waar ze, volgens Gisela, al honderdduizend keer waren geweest.

Omdat ze bewezen hebben, dat ze in koppigheid niet voor elkaar onder doen, komt er aan de moordende stilte voor de storm geen einde. Want, dat het een keer gaat stormen, is honderd procent zeker. Geen van twee weigert te capituleren. Ook de volgende dag geven ze geen kik en lijkt er geen einde te komen aan de lijdensweg. Sent voelt zich steeds nerveuzer worden. Natuurlijk verbergt hij zijn innerlijke onrust, want enige vorm van nervositeit tonen zou een zwaktebod zijn. Regelmatig krijgt hij maagkrampen, terwijl hij geen absoluut geen maagpatiënt is. De opgepropte irritaties gieren door zijn keel. Hij vraagt zich serieus en ook wel een beetje angstig af, hoe dit in hemelsnaam moet aflopen. Want zo’n lange strijd heeft hij nog niet eerder meegemaakt.

Ook Gisela wordt steeds onrustiger. Ook zij wordt lastig gevallen met maagstoornissen en slikt ze zich het lebbes aan maagzuurremmers. Nieuw is, dat ze om de haverklap opvliegers krijgt terwijl ze nog lang niet in de overgang is. Aan hun rode, opgeblazen gezichten valt af te lezen, dat ze dicht tegen het kookpunt aan zitten. Dat de bom elk moment kan barsten.

Tegen bedtijd houdt Gisela het niet meer. Ze is aan het einde van haar Latijn. Er volgt een hevige explosie. Misschien wel één met een kracht van vijf op de schaal van Richter. Een uitbarsting die tot ver in de omgeving hoorbaar is en die tot in de kleine uurtjes heeft nageschokt.

‘Ontiegelijke grote droplul, kloothommel, uilskuiken, halve gare oliebol. Waar ben jij nou helemaal mee bezig? Dat was knap lullig van je hoe je tegen mijn vriendinnen tekeer ging. Dat moet je me nooit meer flikken, want dan sta ik niet in voor de gevolgen. Hoor je me? Heb je dat goed begrepen?’

‘Weet je wat knap lullig was, dat je niet de moeite hebt genomen om ook maar een enkel partijtje ter voorbereiding te spelen. Dat was ongelooflijk lullig.’

‘Dat heeft toch niets te maken met mijn vriendinnen. Die hoef je toch niet te beledigen met je opmerking over die Australische opstelling van jou. Je lijkt wel krankjorum. Hoe durf je? Het zijn mijn vriendinnen hoor! Trouwens je sloeg zelf geen deuk in een pakje boter.’

‘Hoezo je vriendinnen beledigd? Ik heb die mutsen ….’

‘Mutsen? Je hebt het over mijn vriendinnen. Nu ga je wel heel erg ver. Weet jij wat jij bent? Je bent een hele grote eikel. Neem dat maar van mij aan. Nog nooit van mijn leven heb ik zo’n grote eikel meegemaakt. Nee, jij speelde goed zullen we zeggen.’

Er valt er een stilte. Na de uitbarsting moeten ze even op adem komen. Sent kijkt op zijn horloge en ziet dat het half twee is. Eigenlijk vindt hij het welletjes geweest, dat geruzie, maar hij kan niet laten nog een keer uit te pakken.

‘Tjonge, tjonge wat heb jij fantastisch gespeeld zeg! Maar niet heus dikke neus. Moet je voor de gein eens bij Eric informeren hoeveel aces hij op jou heeft geslagen.’

‘Nu overdrijf je weer heel sterk, oelewapper die je bent. Daar ben je altijd al goed in geweest. Dat overdrijven. Daar heb je een handje van. Je leven lang doe je dat al. De meisjes -zo noemt ze haar 40+-vriendinnen- vonden dat ik best wel goed heb gespeeld. Jij speelde als een natte krant, vonden zij. Net als vorig jaar overigens. En daar hebben ze nog gelijk in ook. Als je het mij vraagt, heb ik er schoon genoeg van. Denk maar niet dat ik nog een keer de clubkampioenschappen met jou doe. Knoop dat maar goed in je oren, ellendig mannetje.’

‘Dat is dan geheel wederzijds lekker ding van me, maar niet heus dikke neus. Gelukkig zijn we het daar roerend over eens. We moeten niet nog eens ons huwelijk op het spel zetten.’

Hij valt stil. Sent zit erbij, alsof hij is opgelopen tegen een rechtse directe. Groggy. Diep in zijn hart wil hij het liefst alles met de mantel der liefde bedekken. Met haar naar bed. Haar warme, zachte lichaam voelen. Dat wil hij. Haar dicht tegen zich aan drukken. Maar, ze maakt totaal nog geen aanstalten. Ze is namelijk nog niet helemaal klaar met Sent.

‘Moet je hem horen. Huwelijk op het spel zetten bij een partijtje tennis. Echt belachelijk dat kinderlijke gedrag van jou. Naar aanleiding van een partijtje tennis om niks. Zo zielig en zo verschrikkelijk kinderachtig! Laat ik maar mijn mond houden, want anders zeg ik nog dat je een ontiegelijk grote oet…’

Plotseling staakt ze haar kanonnade. Zei hij ’huwelijk op het spel zetten?’ Ze schrikt zich het apelazerus. Ze beseft dat doorgaan met ruziën wel eens faliekant fout kan aflopen. Daar zit ze niet op te wachten. Daar is ze niet op uit. Bovendien zit ze er helemaal doorheen. Total loss; uitgewoond is ze. Ze kan geen boe of ba meer zeggen. Ook zij wil het liefst naar haar bedje. Samen met Sent. Naast hem liggen; lekker kroelen; zijn lichaam voelen; met zijn ballen knikkeren.

Wezenloos zitten ze op de bank. Hij op de driezits, zij op de tweezits. Dichtbij elkaar, maar tegelijk o zo ver weg van elkaar. Twee eenzame sloebers op de bank. Het is doodstil in huis. Bij de buren slaat de klok twee uur. Minutenlang zitten ze roerloos, apathisch voor zich uit te staren. Alsof hun einde nabij is. Gisela voelt zich met de minuut unheimischer worden. Ze weet zich geen raad. Een scheiding om een partijtje tennis. Dat kan toch niet waar zijn. Haar hart bonkt in haar keel. Met moeite kan ze haar tranen bedwingen.

Ook Sent is van top tot teen aangeslagen; ziet het niet meer zitten. Zijn gedachten dolen van Poolse zuurkool, Bach, Paramaribo naar quattro fommaggi en van diploma-uitreiking, negentien december naar grüss Gott. De idioterie in zijn hoofd gaat maar door. Puch, ADO, kloothommel. Tot zijn op hol geslagen mind blijft hangen bij ‘De Witte Raaf’ in Noordwijk. Bij de training ‘Conflicthantering Anders’ van een paar weken geleden. Al dan niet bezield door die revolutionaire tweedaagse happening krijgt hij de ingeving om de stilte te doorbreken.

Hij kijkt zijn vrouw lief aan en zegt: ‘Gies, kom je ook zo naar bed? Zal ik alvast je plekkie warm maken?’

‘Doe maar, Sentjelief. Dan kom ik zo lekker dicht tegen je aan liggen.’

Zo blij als een kind vliegt de gecertificeerde probleemoplosser de trap op naar de slaapkamer.

Smaakt het naar meer?

Zie bestellen.